Persoonlijke Verhalen

Op deze pagina vind u de persoonlijke verhalen van:

Andre Avelino

Dhr. D. Touw

 

Andre Avelino

We spreken met Andre Avelino, dan 90 jaar, op 4 april 2019 in zijn huis op de Lijnbaan. Het gesprek gaat over hoe hij zijn jeugdjaren heeft doorgemaakt tijdens de bezetting.

Zijn verhaal

Het gesprek begint over zijn vader. Bekend van de plaquette op de rotonde nabij het Chinees restaurant Lotus. Manuel Avelino, afkomstig van Kaapverdië, komt rond 1920 naar Nederland en ontmoet daar zijn Brielse vrouw Willempje Heijndijk. Ze trouwen en met hun kinderen woont het gezin op het Slagveld 53, de Zevenhuizen.

     Het rechterdeel van het derde huis van links is nr 53.

Bron: Ramon Weerensteijn

Mijn vader luisterde graag naar het nieuws en daardoor wisten we, voordat de oorlog uitbrak, dat het bij de Duitsers vreselijk rommelde. Wij hoorden dan de redevoeringen van Hitler via de radio. Alleen waren we nog te jong om te begrijpen wat die bombastische stem allemaal zei.

Mijn vader voer bij de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij en zat aan boord van het motorschip Colombia.

     M.S. Colombia

Bron: Dhr. J. Oldenburg

Gezien de oorlogsdreiging werd het schip veiliggesteld door het naar West-Indië te sturen. Toen de oorlog uitbrak werd het schip gevorderd door de marine. Mijn vader kon toen niet meer aan boord blijven. Hij is toen vrijwillig in dienst gegaan en kreeg daarvoor het Nederlanderschap. Alleen sijpelde dat gegeven tijdens deze periode niet door naar het onder Duits gezag staande Nederland, laat staan naar Brielle. Mijn moeder was dus getrouwd met een Portugees. Daardoor werden wij automatisch aangemerkt als ‘vreemdeling’. Iedere week moesten wij ons melden bij de Staatspolitie te Rotterdam.

De dag dat de oorlog uitbrak hoorden we de vliegtuigen en mijn oom riep: “de Duitsers zijn Nederland binnen gevallen!” Na de capitulatie van Nederland kwamen ze naar Den Briel. Met paarden, karren en kanonnen. Er zaten er veel in Brielle en zij werden her en der ingekwartierd. Ook in de opslagruimte van de Domeinen aan de Lijnbaan. Op Bastion VI werden barakken neergezet. Waar nu camping de Meeuw is, stond een groot huis met verdedigingswallen van vroeger. Daar woonde een boerengezin. Hun huis werd in beslag genomen en het gezin werd in ons huis op het Slagveld gezet. Wij woonden verhuisde naar de Voorstraat. Er werd flink gebouwd. De Biberbunker in Oostvoorne, een radartoren aan het eind van de Bollaarsdijk en op de Heindijk werd een mitrailleur/uitkijkpost geplaatst. Waar nu de Albert Heijn staat, stond een radio–peil station. Bij de Prinsenstee stonden zoeklichten die de lucht af speurden naar vliegtuigen. Als er een vliegtuig gevangen was in het licht zagen we kogels de lucht ingaan.

Met de vijand praat je niet, maar wij jongeren waren nieuwsgierig. Van huis naar de school in de Rozemarijnstraat, liepen we langs het pakhuis. Mijn Zuid-Europese uiterlijk maakte dat ik er anders uitzag dan mijn vrienden. Op een dag keken we weer naar binnen. Ik hoor die mof nog zeggen: “DU, du bist ein Jude!” Ook in Brielle werden Joodse families opgehaald. De familie Philipse, Gazan en Katan. Dat gebeurde ’s morgens vroeg. Wij wisten niet wat er met ze ging gebeuren. Het was vreselijk, Kaatje Katan en haar broertje Guus zaten bij mij op school. Ik kan ze nog zo voor de geest halen. Na een emotionele stilte zegt hij; het is nog steeds onbegrijpelijk. Verder zijn er een aantal vooraanstaande Briellenaren opgepakt en vastgezet, zoals dokter Tellegen en burgemeester Collette. De directeur van de kalkfabriek, van der Wallen, die is gefusilleerd. Een andere dorpsgenoot, Arnold Botbijl, is omgekomen bij een scheepsramp in Indonesië. Varend op het stoomschip Rooseboom probeerden ze vluchtelingen naar veilig gebied te brengen. Het schip is getorpedeerd. Slechts één opvarende overleefde de ramp.

Op 4 maart werd een Amerikaanse bommenwerper, op de terugweg naar Engeland, onderschept door een Duits jachtvliegtuig. Om de kans te vergroten Engeland te halen, werd het restant bommen geloosd. Hierdoor werd Brielle getroffen door vijf bommen. Eén op het slagveld bij de loskade ter hoogte van lijnbaan 15, vlak voor de grote opslagplaats. Naast grote hopen zand en grind van de bouwmaterialenhandel van Dijk en Co uit de Boterstraat die op de kade lagen, was er net een cementboot gelost. De laatste zakken cement werden nog door onder andere mijn oom gelost. Toen de bom in sloeg, vloog het zand en cement alle kanten op. De kasseien vlogen over de opslagplaats heen en kwamen op de daken van de huizen in de Voorstraat. Mijn ouders kwamen daar later te wonen naast de Brielsche Courant. In het dak zag je nog steeds de sporen van die kasseien. De 2de bom viel in de Dijkstraat bij de Gemeentewerf,  de 3de  in de Langestraat naast het badhuis in de straat en de 4de en 5de op het rechtse deel van de vakschool voor meisjes en op de uitbouw van de ambachtsschool. Ik zat op dat moment in de klas en wij keken naar de zwermen vliegtuigen. Meester Bonnema zei: “kom bij die ramen vandaan”. Na een aantal waarschuwingen zei hij: “Jongens en nu opgedonderd bij die ramen vandaan”. Toen wij weer achter de werkbanken stonden viel de bom en zagen we balken en stenen omhoogkomen, iedereen rende de klas uit, behalve ik. Ik heb eerst mijn passerdoos netjes ingepakt en was de laatste die de klas uitkwam. Beneden was het een grote chaos. Wat me nog het meest bijgebleven is, is het beeld van Coppelstock, daar was precies de kop van af.

Ook de NSB was aanwezig in Den Briel, maar daar had je een bloedhekel aan. De burgemeester werd vervangen door een NSB-collega, W.F. van der Hoff. De kinderen van NSB’ers liepen met het vaandel van de jeugdstorm door Den Briel onder begeleiding van Duitse marsmuziek. Was die groep NSB-aanhangers groot ? Tsja, dat weet ik niet precies. Er waren ook zeer arme mensen die het gedachtengoed aanhingen omdat ze hoopten dat alles beter zou worden.

In de herfst van 1943 werden wij Den Briel uitgestuurd, omdat mijn vader aan boord van een zeeschip zat. De burgemeester, ook wel ‘Snurkie’ genoemd, had hier een vreselijke hekel aan en om ons te pesten kregen wij een brief in huis, dat wij binnen 5 dagen vanwege veiligheidsoverwegingen moesten vertrekken. Wij zijn toen in Rotterdam verzeild geraakt aan de Strevelsweg nr. 84B. Dat nummer vergeet ik nooit meer. Ik zat nog op de ambachtsschool in Brielle en ben in de kost gegaan bij mijn oom om school af te maken. Ik ging elk weekend naar Rotterdam via de Spijkenissebrug en heb daar met veel bravoure een ausweis voor gekregen. In april 1944 was ik klaar. Ik struinde veel door Rotterdam en liep eens richting de Oude Binnenweg. Ik zag een Spitfire aankomen, heel laag over het water en vlak voor de brug schoot hij omhoog over de Duitse wachtpost. Die hebben ze nooit zien aankomen. Een prachtig mooi gezicht. De hongerwinter hebben wij in de stad heel bewust meegemaakt. In Brielle was altijd wel extra voedsel te vinden. Wij gingen naar Barendrecht, spruitenkoppen halen. Mijn oom, die groenteboer was in de Vischstraat in Brielle, zorgde via beurtschipper Alebrechtse, die van Brielle naar de Spangensekade voer, dat wij met regelmaat een krat met wat groente en fruit kregen. Zo zijn we de oorlog doorgekomen.

Na afscheid genomen te hebben van Dhr. Avelino komt er vlak voor vertrek nog één anekdote.

     Andre Avelino

Kort na de oorlog kwam ons huis weer vrij en konden wij terugkeren naar Den Briel. Mijn vader had ik al zes jaar niet gezien. We wisten ondertussen dat hij op Terneuzen voer. Ik ben naar Rotterdam gegaan om een lift te regelen bij de garage van het militair gezag. Ik hoopte zo met een auto mee naar Terneuzen te kunnen rijden. Helaas ging er op dat moment niemand die kant op dus moest ik wachten. Na een poosje kwam er een man binnen met een rieten koffer die vroeg of er nog een wagen naar Den Briel ging. Dit bleek mijn vader te zijn. De koffer zat vol met chocola en andere lekkernijen. Na twee dagen moest hij weer terug naar boord en ging het normale leven weer verder…

Maart 2020 kregen we het droevige bericht dat Andre Avelino is overleden.

 
TOP

Dhr. D. Touw

Op 25 mei 2022 hebben we een gesprek met de heer Touw, geboren in 1935 te Vierpolders en nu woonachtig in Heenvliet. Ook na ruim 77 jaar zijn de herinneringen er nog steeds. 

Zijn verhaal

Toen de oorlog uitbrak woonde wij in een boerderij gelegen aan het einde van de (Vekhoeksche) Kerkweg. Waar zich nu het huidige industrieterrein Seggelant bevindt.

     

Situatie 1940 versus 2022.

Onze buurman die een tuindersbedrijf had op de plek waar nu van Adrighem zit, kwam ’s morgens 10 mei naar ons toe en vertelde dat er oorlog was. Hij had dat gehoord op de radio.

Er was vlakbij ons veel lawaai. Boven de Ondernemingspolder vlogen veel vliegtuigen. En ik zag “wolkjes”. Ze waren in gevecht en schoten op elkaar. Een aangeschoten vliegtuig zag ik al draaiend naar beneden gaan.

     Boerderij van de familie Touw.

Bron: D. Touw

Er kwamen Nederlandse soldaten bij ons langs op de boerderij. Die jongens waren erg zenuwachtig en op zoek naar Duitsers. Ze staken met hun bajonetten in het stro. Mijn vader, die in 1916 heeft gediend bij de vestingartillerie in Hellevoetsluis, zei tegen die soldaat: Geloof mij nou maar, daar zit geen Duitser en ik zou dat geweer maar op veilig zetten.

Mijn broer vertelde dat een van die soldaten uit de buurt kwam. Dat was Kommer Klok, de opa van Robin Klok van de huidige landwinkel.

Dezelfde dag kwam de dorpsveldwachter aanfietsen. Op last van de burgemeester moesten wij de wagens die we hadden op de Groene Kruisweg zetten om te voorkomen dat er vliegtuigen zouden landen.

Een paar dagen later stonden we op de Maasdijk en zagen rook in de verte. Dat moet Rotterdam geweest zijn. Mijn vader had tranen in zijn ogen.

Na de overgave ging het normale leven voor een kleine jongen zoals ik weer verder. Duitse soldaten verkenden de buurt. Ze kwamen bij ons op het erf en hebben eieren gekocht.

Vrij snel werd er in opdracht van de Duitsers door een bouwfirma uit Rhoon of Poortugaal een bunker gebouwd in de Maasdijk. Die bunker keek uit over de Ondernemingspolder. ’s Avonds werden door de bezetter lampen aangestoken, zodat het leek alsof er een landingsbaan van een vliegveld was.

      

De bunker uitkijkend over het schijnvliegveld.

De Engelsen zijn erin getrapt en bombardeerden het schijnvliegveld. Hierdoor ontstond er een grote krater achter onze boerderij en de druivenkas van onze buren was zwaar beschadigd.

Over de Groene Kruisweg marcheerden soldaten en er reden kanonnen en auto’s met OT erop. (organisation Todt was een Duitse bouworganisatie tijdens het nazibewind, red.). Er waren schilders uit Zwartewaal bij ons bezig om de boerderij te schilderen. Ik had een houten speelgoedauto en heb net zolang gezeurd totdat een van die mannen ook op mijn auto OT had gezet met witte verf.

En er moest natuurlijk verduisterd worden. Blinden voor de ramen, om maar geen spoortje licht naar buiten te laten komen. Op een dag brandde er een carbidlamp, maar we hadden nog niet verduisterd. Er kwam een wild, woeste Duitser aan de deur. Die stond te blaffen tegen mijn vader en moeder. Hij was met de motor langsgereden en had licht gezien.

Tijdens de hongerwinter kwamen er mensen langs die om eten vroegen. Mijn moeder sneed ’s morgens boterhammen en belegde deze. Die gaf ze dan aan de bedelende mensen. Ook werd er melk gegeven en soms voedsel verkocht. Er werden zakken met aardappelen en zakken graan geruild voor steenkool met werknemers van de werf Wilton Fijenoord uit Schiedam.

Achter bij de Brielse Maas was een klein haventje. Daar kwam ene Bram van der Waal met een roeibootje en die ruilde dan weer lakens. Mensen met kinderwagens die voedsel bij elkaar hadden geschraapt, liepen op de terugweg het risico dat ze bij passage Spijkenisserbrug alles weer moesten inleveren.

Tsja, je had goede en slechte Duitsers.

In 1944, toen de geallieerden aan het oprukken waren in Brabant, konden we het geschut horen. Onze buurman, dove Jaap, die werkte bij Rodenburg, voelde de grond trillen.

Op een gegeven moment was Luuk Biesheuvel, mijn buurjongen, bij mij aan het spelen. Hij woonde aan de andere kant van de Groene Kruisweg. Zijn vader zat in Curaçao. Opeens kwam er een vliegtuig al schietend laag over de dijk heen. Wij speerden weg naar ons huis en doken in de trappenkast. Mijn vader die aan het werk was op het land dook in de slootkant. Ze schoten op een groene vrachtauto. Dit bleek later een burger wagen te zijn.

In Zwartewaal was veel verzet. Zo heeft de ondergrondse een wissel omgezet met de bedoeling om een Duits troepentransport te laten ontsporen. De stationschef van Zwartewaal heeft toen op tijd de wissel weer teruggezet. Dat was een goede daad vind ik. Stel je voor: Omdat de tram niet zo hard reed, waren er wellicht een paar Duitse  soldaten gewond geraakt. Maar de vergelding die de bevolking had moeten ondergaan was tig keer zo erg geweest.

In de nacht van 4 op 5 december 1944 was er een inval op de Meeldijk bij de gebroeders Koene. Daar zaten drie Italiaanse deserteurs ondergedoken. Ze wilde niet meer voor de fascisten vechten en zijn in Zwartewaal terecht gekomen. Ze zijn verraden. De gebroeders Koene zijn zogenaamd op de vlucht doodgeschoten. De Duitsers hebben het huis in brand gezet.  Daarbij zijn twee Italianen omgekomen. Buurman Klaas Rodenburg is gaan kijken, omdat hij zoveel herrie hoorde. Hij werd opgepakt en geblinddoekt aan een boom vastgebonden. De Insellkommandant (Duitse militaire bevelhebber, red.) Ernst Eugen Schermuly, die verantwoordelijk was voor de inval en executie heeft na de oorlog 20 jaar gekregen, maar is weer vervroegd vrijgelaten.

Tijdens het gesprek komt ook de familie van de heer Touw ter sprake.

Mijn vader en moeder moesten niets hebben van de bezetter en hun ideeën. In de loop van 1944 stond er veel van het eiland onder water. Zo ook de polder Nieuwenhoorn. De zus van mijn vader en haar man hadden daar een tuinderij. Ze moesten evacueren en zijn bij ons met hun vier dochters ingetrokken.

Omdat ze bij ons woonden ging ik natuurlijk vaak langs bij de familie. De ene kant was communistisch gezind en had het over die rot Moffen. De andere kant was lid van de NSB en die vertelde juist weer dat het aardige lui waren.  Als kleine jongen zat ik daar dan tussenin en hoorde dit allemaal aan. Dat was erg verwarrend

Een aantal familieleden van mijn moeder was lid van de NSB.

Haar zus en zwager (ome Cor, slager in Brielle) waren brood NSB’ers. (Nederlanders die zich om niet politieke redenen aansloten bij de Nationale Socialistische Beweging, red.). Mijn tante zei; als we lid worden van de NSB, dan kunnen we aan de Duitsers leveren.

Ze hadden 1 dochter, die was lid van de Nationale Jeugdstorm geworden. Zij liep met het vaandel vooraan tijdens parades door de straten van Brielle.

Mijn broer Cor was 18 en kon worden opgeroepen voor de arbeitseinsatz (dwangarbeid, red.). Oom Cor zei: als je nu lid wordt van de NSB dan hoef je niet naar Duitsland. Dat heeft hij stiekem gedaan. Mijn moeder vond in een zak van zijn jasje zijn lidmaatschapskaart. Mijn vader ging met een bloedgang naar ome Cor. Hij zei: Schrappen die inschrijving van die jongen. We willen er niets mee te maken hebben. Dat is toen ook gebeurd. Alleen is de doorhaling nooit doorgekomen op de Maliebaan in Utrecht bij het hoofdbureau van de NSB. Op 31 oktober 1945 kwam de politie hem ophalen en hij heeft tot eind december 1945 vastgezeten in Fort Haerlem.

Fort Haerlem, Hellevoetsluis.

Hoewel hij geen proces heeft gekregen, mocht hij 10 jaar niet stemmen en werd hij buitengewoon dienstplichtig. Ik zat toen op de lagere school in Vierpolders. Een meisje uit mijn klas vertelde dat haar vader die bewaker was in het Fort een paling had meegenomen. Zij had daar heerlijk van gegeten. Later hoorde ik dat mijn broer die had gevangen en dat haar vader deze had afgepakt.

Een ander oom van mij begon in te zien dat hij toch een verkeerde keuze had gemaakt, maar die zei: ik zit er van het begin af bij en nu het moeilijker gaat trek ik me niet meer terug. Ook hij moest zitten

Zijn broer die nog fanatieker was, maar korter in de gevangenis heeft gezeten, droomde ervan dat hij een boerderij zou krijgen in Oekraïne. Want dan zouden die untermenschen (zoals Hitler ze noemde) wel verdreven zijn en zou er een hoop landbouwgrond beschikbaar zijn.

In de meidagen na de oorlog stond er een BS’er (lid Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, red.) bij ons aan de deur. Hij moest ome Kobus hebben, een klein boertje uit Tinte. Gedurende de oorlog was hij voorzitter van de plattelandsjongeren. Die waren door de Duitsers een beetje ingelijfd. In 1944 had hij 14 dagen bij de Duitsers vastgezeten, omdat hij weigerde voor de Wehrmacht te rijden. Na de oorlog werd hij weer gepakt, omdat hij zou hebben samengewerkt met de bezetter.

Mijn nicht is na de oorlog de politiek in gegaan en wethouder geworden in Brielle. Daarnaast heeft zij veel voor de katholieke kerk gedaan. Door haar keuze in de oorlog kwam zij echter niet meer in aanmerking voor een lintje, werd er geen straat naar haar vernoemd en mocht zij ook niet aanwezig zijn bij de heropening van de gerestaureerde Sjoel.

Mijn toekomstige schoonvader werkte bij Wilton Fijenoord Schiedam. Hij had een gezin van zes en zei: niet iedereen kan onderduiken. Hij werkte aan de beschadigde U-boten. Je kan het wel of niet doen, maar je moet toch eten hebben voor je gezin.

Goed of slecht ? Het zijn keuzes die je maakt op dat moment en in die situatie.

 
TOP